opslaan/vervoeging
Uiterlijk
| vervoeging van de bedrijvende vorm van opslaan | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | opslaan | op te slaan | ||||||||
| toekomend | zullen opslaan op zullen slaan |
te zullen opslaan op te zullen slaan | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | hebben opgeslagen | te hebben opgeslagen | ||||||||
| toekomend | opgeslagen zullen hebben | opgeslagen te zullen hebben | |||||||||
| onvoltooid deelwoord | voltooid deelwoord | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| opslaand | opgeslagen | ev. sla op | mv. verouderd slaat op | sla op (bijzin) opsla | |||||||
| aantonende wijs | enkelvoud | meervoud | |||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| hoofdzin | ik | jij, je | u | gij, ge | hij, zij, het | wij, we | jullie | zij, ze | |||
| tegenwoordig (o.t.t.) | sla op | slaat op | slaat op | slaat op | slaat op | slaan op | slaan op | slaan op | |||
| verleden (o.v.t.) | sloeg op | sloeg op | sloeg op | sloegt op | sloeg op | sloegen op | sloegen op | sloegen op | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal opslaan | zult/zal opslaan | zult/zal opslaan | zult opslaan | zal opslaan | zullen opslaan | zullen opslaan | zullen opslaan | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou opslaan | zou opslaan | zou(dt) opslaan | zoudt opslaan | zou opslaan | zouden opslaan | zouden opslaan | zouden opslaan | |||
| bijzin | .. dat ik | .. dat jij, je | .. dat u | .. dat gij | .. dat hij, zij, het | .. dat wij | .. dat jullie | .. dat zij | |||
| tegenwoordig (o.t.t.) | opsla | opslaat | opslaat | opslaat | opslaat | opslaan | opslaan | opslaan | |||
| verleden (o.v.t.) | opsloeg | opsloeg | opsloeg | opsloegt | opsloeg | opsloegen | opsloegen | opsloegen | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal opslaan op zal slaan |
zult/zal opslaan op zult/zal slaan | zult/zal opslaan op zult/zal slaan | zult opslaan op zult slaan | zal opslaan op zal slaan | zullen opslaan op zullen slaan | zullen opslaan op zullen slaan | zullen opslaan op zullen slaan | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou opslaan op zou slaan |
zou opslaan op zou slaan | zou(dt) opslaan op zou(dt) slaan | zoudt opslaan op zoudt slaan | zou opslaan op zou slaan | zouden opslaan op zouden slaan | zouden opslaan op zouden slaan | zouden opslaan op zouden slaan | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | heb opgeslagen | hebt opgeslagen | hebt/heeft opgeslagen | hebt opgeslagen | heeft opgeslagen | hebben opgeslagen | hebben opgeslagen | hebben opgeslagen | |||
| verleden (v.v.t.) | had opgeslagen | had opgeslagen | had opgeslagen | hadt opgeslagen | had opgeslagen | hadden opgeslagen | hadden opgeslagen | hadden opgeslagen | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal opgeslagen hebben | zal/zult opgeslagen hebben | zult/zal opgeslagen hebben | zult opgeslagen hebben | zal opgeslagen hebben | zullen opgeslagen hebben | zullen opgeslagen hebben | zullen opgeslagen hebben | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou opgeslagen hebben | zou opgeslagen hebben | zou/zoudt opgeslagen hebben | zoudt opgeslagen hebben | zou opgeslagen hebben | zouden opgeslagen hebben | zouden opgeslagen hebben | zouden opgeslagen hebben | |||
| onpersoonlijke lijdende vorm opgeslagen worden | |||||||||||
| onvoltooid | voltooid | ||||||||||
| tegenwoordig | er wordt opgeslagen | er is opgeslagen | |||||||||
| verleden | er werd opgeslagen | er was opgeslagen | |||||||||
| toekomend | er zal opgeslagen worden | er zal opgeslagen zijn | |||||||||
| voorwaardelijk | er zou opgeslagen worden | er zou opgeslagen zijn | |||||||||
| lijdende vorm opgeslagen worden | |||||||||||
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | opgeslagen worden | opgeslagen te worden | ||||||||
| toekomend | opgeslagen zullen worden | opgeslagen te zullen worden | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | opgeslagen zijn | opgeslagen te zijn | ||||||||
| toekomend | opgeslagen zullen zijn | opgeslagen te zullen zijn | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | ||||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | word opgeslagen | wordt opgeslagen | wordt opgeslagen | wordt opgeslagen | wordt opgeslagen | worden opgeslagen | worden opgeslagen | worden opgeslagen | |||
| verleden (o.v.t.) | werd opgeslagen | werd opgeslagen | werd opgeslagen | werdt opgeslagen | werd opgeslagen | werden opgeslagen | werden opgeslagen | werden opgeslagen | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal opgeslagen worden | zult opgeslagen worden | zult opgeslagen worden | zult opgeslagen worden | zal opgeslagen worden | zullen opgeslagen worden | zullen opgeslagen worden | zullen opgeslagen worden | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou opgeslagen worden | zou opgeslagen worden | zou/zoudt opgeslagen worden | zoudt opgeslagen worden | zou opgeslagen worden | zouden opgeslagen worden | zouden opgeslagen worden | zouden opgeslagen worden | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | ben opgeslagen | bent opgeslagen | bent/is opgeslagen | zijt opgeslagen | is opgeslagen | zijn opgeslagen | zijn opgeslagen | zijn opgeslagen | |||
| verleden (v.v.t.) | was opgeslagen | was opgeslagen | was opgeslagen | waart opgeslagen | was opgeslagen | waren opgeslagen | waren opgeslagen | waren opgeslagen | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal opgeslagen zijn | zult opgeslagen zijn | zult opgeslagen zijn | zult opgeslagen zijn | zal opgeslagen zijn | zullen opgeslagen zijn | zullen opgeslagen zijn | zullen opgeslagen zijn | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou opgeslagen zijn | zou opgeslagen zijn | zou/zoudt opgeslagen zijn | zoudt opgeslagen zijn | zou opgeslagen zijn | zouden opgeslagen zijn | zouden opgeslagen zijn | zouden opgeslagen zijn | |||