bluffen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bluf·fen
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘pochen’ voor het eerst aangetroffen in 1855 [1]
  • [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bluffen
blufte
gebluft
zwak -t volledig

Werkwoord

bluffen

  1. inergatief een onjuiste indruk proberen te wekken
    • Hij blufte over het aanwezige geldbedrag. 
  2. inergatief opscheppen.
    • De zanger ging uit de kleren tijdens een interview nadat hij blufte dat hij graag naakt zong. 
  3. inergatief (bij uitbreiding) een voor de tegenstander misleidende tactiek toepassen, bijvoorbeeld bij kaartspelen.
    • Bluffen is de meest sexy betting actie van het pokeren. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen