overladen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • over·la·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overladen
overlaadde
overladen
zwak -d

gemengd

volledig

Werkwoord

overláden

  1. overgankelijk een overmaat doen belanden op iemand, gewoonlijk in overdrachtelijke zin
    • Het publiek overlaadde de zanger met gejuich en applaus. 
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overladen
laadde over
overgeladen
zwak -d

gemengd

volledig

Werkwoord

óverladen

  1. overgankelijk een lading vanuit het ene voer- of vaartuig in het andere brengen
    • In Rotterdam wordt veel vracht van de zeevaart overgeladen op de binnenvaart. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.