oplader

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·la·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oplader opladers
verkleinwoord opladertje opladertjes

Zelfstandig naamwoord

oplader m

  1. Batterijlader. Apparaat om een batterij of accu weer van stroom te voorzien.
    • Een smartphone moet iedere nacht aan de oplader. 
Hyponiemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be