ophef

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·hef
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ophef -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ophef m

  1. het zwaar aan de weg timmeren
    Er wordt veel ophef gemaakt over de Canadese reactie op de opmerkingen over NAFTA die door de presidentskandidaten gemaakt zijn.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
opheffen

ophef

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opheffen
    ... dat ik ophef.