ophef

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·hef
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ophef -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ophef m

  1. lawaai, onrust, ophef, tumult, geraas, spektakel
    • Er wordt veel ophef gemaakt over de Canadese reactie op de opmerkingen over NAFTA die door de presidentskandidaten gemaakt zijn. 
     Wat was dan toch al die ophef over blowen? De volgende avond zette ik in alle rust mijn wietexperiment voort.[1]
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
opheffen

ophef

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opheffen
    • ... dat ik ophef. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be