Naar inhoud springen

ophef

Uit WikiWoordenboek
  • op·hef
enkelvoud meervoud
naamwoord ophef -
verkleinwoord - -

deophefm

  1. lawaai, onrust, tumult, geraas, spektakel
    • Er wordt veel ophef gemaakt over de Canadese reactie op de opmerkingen over NAFTA die door de presidentskandidaten gemaakt zijn. 
     Wat was dan toch al die ophef over blowen? De volgende avond zette ik in alle rust mijn wietexperiment voort.[1]
     De rechter verwijt het duo dat ze het illegaal kappen van de boom en de daaropvolgende ophef prachtig vonden.[2]
     Online ophef in China over schorsing studente na seks met buitenlander.[3]
vervoeging van
opheffen

ophef

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opheffen
    • ... dat ik ophef. 
100 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[4]
  1. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 15-7-2025 Weblink bron “Ruim vier jaar cel voor tweetal dat beroemde Robin Hood-boom kapte.” (15-7-2025), NOS
  3. Bronlink geraadpleegd op 14-7-2025 Weblink bron
    Gabi Verberg
    “Online ophef in China over schorsing studente na seks met buitenlander.” (14-7-2025), NOS
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be