onrust

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·rust
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van rust met het voorvoegsel on-
enkelvoud meervoud
naamwoord onrust onrusten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

onrust v/m

  1. het verstoord zijn van de maatschappelijke of sociale orde, verstoord zijn van de rust in een bepaalde groep mensen
    • Een aantal incidenten zorgde voor onrust in de wijk. 
    • In de partij is onrust ontstaan over het voorstel. 
  2. het niet kalm of rustig zijn van het gemoed van iemand, het opgewonden zijn
    • Hij had al een tijdje een vreemde, nog nooit eerder beleefde onrust in zijn hart gevoeld. [1] 
     Die 18-jarige Goldie had helemaal gelijk, waarom kon ik niet gewoon van het moment genieten? Waar kwam die onrust toch vandaan? Ik sjokte verder en zag de rivier af en toe ver onder mij in de kloof liggen.[2]
Verwante begrippen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be