neerleggen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • neer·leg·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
neerleggen
legde neer
neergelegd
zwak -d volledig

Werkwoord

neerleggen

  1. overgankelijk op iets leggen of plaatsen
    • Hij legde de hoorn neer. 
  2. overgankelijk afstand doen van iets
    • Zij legde haar ambt neer. 
  3. overgankelijk doodschieten
    • Hij werd door de kwade man neergelegd. 
  4. overgankelijk een bedrag betalen
    • Het bedrag moest vóór 12 uur neergelegd worden. 
  5. wederkerend zich ~ bij het verzet tegen iets opgeven
    • Hij legde zich niet neer bij de uitspraak en ging in hoger beroep. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2] het werk neerleggen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.