opgeven

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·ge·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opgeven
gaf op
opgegeven
klasse 5 volledig

Werkwoord

opgeven

  1. overgankelijk de strijd staken en zich gewonnen geven
    • Na die verkeerde zet zag de beroemde schaakspeler zich gedwongen op te geven. 
  2. overgankelijk een in- of uitgavepost vermelden
    • Deze kleine inkomsten hoeven niet opgegeven te worden op uw belastingbiljet. 
  3. inergatief hoog ~ over: de loftrompet steken over iets of iemand
    • Hij gaf hoog op over die toespraak van Obama. 
  4. ergens mee stoppen; ergens niet mee doorgaan
    • Toch was hij ook eigen plannen gaan ontwikkelen. Hij wilde weg, hij voelde wel wat voor Tonkin, al wist hij zelf niet goed waarom. In ieder geval wilde hij het beroep van boekhouder opgeven en iets anders gaan doen. [1] 
Uitdrukkingen en gezegden

[1] De moed opgeven.

Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Lemaitre, Pierre "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 16