opgeven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·ge·ven
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van geven met het voorvoegsel op-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opgeven
gaf op
opgegeven
klasse 5 volledig

Werkwoord

opgeven

  1. (overgankelijk) de strijd staken en zich gewonnen geven
    Na die verkeerde zet zag de beroemde schaakspeler zich gedwongen op te geven.
  2. (overgankelijk) een in- of uitgavepost vermelden
    Deze kleine inkomsten hoeven niet opgegeven te worden op uw belastingbiljet.
  3. (inergatief) hoog ~ over: de loftrompet steken over iets of iemand
    Hij gaf hoog op over die toespraak van Obama.
Uitdrukkingen en gezegden

[1] De moed opgeven.

Vertalingen