deponeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·po·ne·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
deponeren
/ˌdepoˈneːrə(n)/
deponeerde
/ˌdepoˈneːrdə/
gedeponeerd
/ɣəˌdepoˈneːrt/
zwak -d volledig

Werkwoord

deponeren

  1. overgankelijk weggooien, plaatsen
    • - Je kunt je afval in deze ton deponeren. 
    • - Waar kunnen we het zand deponeren dat door de vrachtwagen is gebracht. 
  2. overgankelijk registreren zodat het niet door een ander gebruikt kan worden
    • Het bedrijf wilde zijn merknaam deponeren. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl