mimi

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Mimi


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mi·mi
Woordherkomst en -opbouw
[A] enkelvoud meervoud
naamwoord mimi mimi's
verkleinwoord mimietje mimietjes

Zelfstandig naamwoord

[A] mimi v / m

  1. (meubel) klein tafeltje voor in een zitkamer
      Het groote hooge vertrek stond ongezellig leeg en ontredderd in het fel gele licht, dat van de electrische kroon naar beneden stroomde; op het matgroen der speeltafels deed het glanzend wit, zwart en rood der achteloos neergeworpen kaarten nog wel vroolijk aan, doch de grauwe rekenpapiertjes lagen er vodderig tusschen; op de bijgezette mimi-tjes naast de ordeloos teruggeschoven stoelen, stonden leege glazen en koppen, uit een der boordevolle aschbakjes steeg nog een rookpluim omhoog van een snel opsmeulend eindje sigaret.[3]
Synoniemen
Verwante begrippen
[B] enkelvoud meervoud
naamwoord - mimi
verkleinwoord - -

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als meervoud.

Zelfstandig naamwoord

[B] mimi mv

  1. (beroep) (geschiedenis) rondtrekkende artiesten die hun publiek vermaakten met pantomime, imitaties, jongleren, goochelen en komische of spannende voordrachten
      Een paar verzen der Alexandreïs waarin over mimi gesproken wordt, geeft hij aldus weer:
    Die menestrele quamer mede
    Vor dien coninc in die stede
    Ende loofdene met haren sanghe.
    Daer was menich trompe langhe,
    Vedelen, haerpen ende sijmphonien,
    Cystolen die wel leren vrien,
    Salterien, orghelen ende sciven.
      Wanneer hij dan echter op den laatsten regel laat volgen:
    Men speelder met sweerden ende met kniven
      dan zien wij hoe rekbaar het begrip speelman was en dat het in de middeleeuwen ook allerlei kunstenmakers omvatte.
    [4]
Synoniemen
Hyperoniemen
Verwante begrippen
[C] enkelvoud meervoud
naamwoord mimi mimi's
verkleinwoord

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als alleen mannelijk woord.

Zelfstandig naamwoord

[C] mimi m

  1. (dierkunde) (Nederlands-Indië) benaming voor zeedieren uit de familie Limulidae op Wikispecies, levende fossielen die lijken op een krab met een stijve puntige staart
      Tegen het ondereind van den lingga ligt de punt van een grooten driehoek, waarop men nog een aantal dieren afgebeeld ziet: drie kikkers in het midden, naar de drie hoeken van den driehoek gewend en voorts, naar het middelpunt gekeerd, zes andere beesten, vanuit de hoeken een visch (aan den Westkant) en twee hagedissen, uit het midden der Oostelijke zijde weder een visch, en aan Noord- en Westzijde een krab en een mimi.[5]
Synoniemen
[D] enkelvoud meervoud
naamwoord mimi mimi
mimi's
verkleinwoord - -

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als alleen mannelijk woord.

Zelfstandig naamwoord

[D] mimi m

  1. (mythologie) (Aboriginals) benaming voor de lange, zeer dunne wezens die leven in de rotsspleten van Noord-Australië
     Zij zeggen dat de schilderingen gemaakt zijn door vooroudergeesten, de mimi, en dat dit hun zelfportretten zijn. De mimi hebben, zoals je op de afbeelding van de figuren kunt zien, lichamen zo dun als rietstengels en zo iel dat ze niet aan een flinke wind kunnen worden blootgesteld, uit angst dat ze dan zouden ombuigen en knakken.[6]

Gangbaarheid

43 % van de Nederlanders;
36 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. mimi op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 23 mei 2020 Weblink bron Bezemer, T.J. (red.) “Beknopte encyclopaedie van Nederlandsch-Indië.” (1921), Martinus Nijhoff / N.V. v/h E.J. Brill, 's-Gravenhage / Leiden, p. 320 kol. 1
  3. Bronlink geraadpleegd op 23 mei 2020 Weblink bron Feen, A.H. van der “Een gunst en andere verhalen” (1923), Elsevier, Amsterdam, p. 103
  4. Bronlink geraadpleegd op 23 mei 2020 Weblink bron Kalff, G. “Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Deel 1” (1906), J.B. Wolters, Groningen, p. 275
  5. Bronlink geraadpleegd op 23 mei 2020 Weblink bron Krom, N.J. “Inleiding tot de Hindoe-Javaansche kunst. Tweede Deel” (1920), Martinus Nijhoff, 's-Gravenhage
  6. Bronlink geraadpleegd op 23 mei 2020 Weblink bron David Attenborough “Reizen naar de andere kant van de wereld”, ebook (2019), Uitgeverij Unieboek / Het Spectrum, Utrecht, ISBN 9789000366064
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Frans

Uitspraak

Bijvoeglijk naamwoord

mimi

  1. (spreektaal) lief, schattig
    «En sortant de la coiffeuse elle était toute mimi
    Toen ze bij de kapster wegging zag ze er heel schattig uit. [1]

Zelfstandig naamwoord

mimi m

  1. (spreektaal) poes, kat [1]
  2. (spreektaal) kusje, zoen
    «Alors, tu me fais un mimi ou quoi?»
    En, krijg ik nog een kusje van je? [1]
Overerving en ontlening

Verwijzingen