salon

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sa·lon
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ontvangkamer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1863 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord salon salons
verkleinwoord salonnetje salonnetjes

Zelfstandig naamwoord

salon o/m [2]

  1. vertrek in een huis met gemakkelijke stoelen.
    • In de salon keken we televisie. 
  2. geregelde bijeenkomst of grote beurs bijv. een autosalon
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen