lichten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lich·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
lichten
lichtte
gelicht
zwak -t volledig

Werkwoord

lichten

  1. (onpersoonlijk) beginnen licht te worden
    Het lichtte al aan de horizon toen hij eindelijk in slaap viel.
  2. (onpersoonlijk) bliksemen
    Hij zag het lichten in de verte en maakte zich ongerust over het naderende onweer.
  3. (overgankelijk) uit liggende positie opnemen
    De tegels werden gelicht en het werk kon beginnen.

Zelfstandig naamwoord

lichten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord licht