lichten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lich·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
lichten
lichtte
gelicht
zwak -t volledig

Werkwoord

lichten

  1. (onpersoonlijk) beginnen licht te worden
    • Het lichtte al aan de horizon toen hij eindelijk in slaap viel. 
  2. (onpersoonlijk) bliksemen
    • Hij zag het lichten in de verte en maakte zich ongerust over het naderende onweer. 
  3. overgankelijk uit liggende positie opnemen, ophijsen, opheffen
    • De tegels werden gelicht en het werk kon beginnen. 
  4. leegmaken, lossen
  5. (scheepvaart) bergen van een gezonken schip
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • De hand met iets lichten
minder streng zijn dan normaal
  • De hielen lichten
er vandoor gaan
  • Het anker lichten
ergens vertrekken, weggaan en verder reizen
  • Iemand de beurs lichten
van iemand geld stelen/afhandig maken
  • Iemand de voet lichten
iemand op gemene manier de baan afnemen
  • Iemand uit het zadel lichten
iemand zijn positie doen verliezen, iemand ontslaan
zeer uitgebreid vertellen/uitzoeken wie iemand is en wat die in het verleden allemaal gedaan heeft
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

lichten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord licht

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie