lossen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • los·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
lossen
loste
gelost
zwak -t volledig

Werkwoord

lossen

  1. (overgankelijk) losser maken
    Het regime lijkt de ijzeren greep op het land wat te lossen.
  2. (overgankelijk) afschieten
    Tijdens de achtervolging losten de agenten een aantal schoten.
  3. (overgankelijk) ontladen
    Het schip lost zijn lading in de haven.
  4. (overgankelijk) zich ontdoen van
    De renner loste in de laatste ronde zijn laatste medevluchter.
  5. (inergatief) afhaken, achteropraken
    De geletruidrager kon nog even bij het groepje aanhaken maar moest toen toch lossen.

Zelfstandig naamwoord

lossen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord los