toelichten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toe·lich·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
toelichten
/ˈtulɪxˌtə(n)/
lichtte toe
/ˌlɪxtəˈtu/
toegelicht
/ˈtuɣəˌlɪxt/
zwak -t volledig

Werkwoord

toelichten

  1. ditransitief verduidelijken, uitleggen
    • Je moet je argumenten toch wat beter toelichten, anders worden ze verworpen. 
    • Ze kregen het keurig toegelicht. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.