belichten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·lich·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
belichten
belichtte
belicht
zwak -t volledig

Werkwoord

belichten

  1. overgankelijk licht schijnen op iets
    • Ze moesten de gevel belichten om hun werk te kunnen doen. 
  2. overgankelijk, (figuurlijk) van een bepaalde kant bekijken
    • We moeten die zaak ook eens belichten vanuit het perspectief van de dader. 
  3. overgankelijk, (fotografie) een bepaalde tijd licht laten vallen op de film om deze op te nemen
    • Deze foto is te lang belicht. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.