lig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lig

Werkwoord

vervoeging van
liggen

lig

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van liggen
    • Ik lig. 
  2. gebiedende wijs van liggen
    • Lig! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van liggen
    • Lig je? 


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord lig ligte

Zelfstandig naamwoord

lig

  1. licht
stellend vergrotend overtreffend
lig
ligte
ligter ligste

Bijvoeglijk naamwoord

lig

  1. licht