lab

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lab
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lab labs
verkleinwoord labje labjes

Zelfstandig naamwoord

lab o

  1. (scheikunde), (natuurkunde), (biologie) een ruimte ingericht voor het doen van natuurwetenschappelijk onderzoek
    • We hebben zowel een TGA als een DSC in ons lab. 
  2. (scheikunde), (natuurkunde), (biologie) een cursus gegeven in [1] waarin studenten geleerd wordt labwerk te doen
    • In dit lab gaat het voornamelijk om het doen van zinnige metingen en het interpreteren van de resultaten in statistisch significante termen. 
  3. (scheikunde), (natuurkunde), (biologie) een gebouw waarin ruimtes zoals [1] gehuisvest zijn
    • Naast het wiskundegebouw staat een chemisch lab. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Oudhoogduits

Zelfstandig naamwoord

lab, o

  1. (biochemie), (scheikunde) stremsel
Verbuiging
  • o (a), sterk
Overerving en ontlening
Opmerkingen