laboratorium
Uiterlijk
- la·bo·ra·to·ri·um
- Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘werkvertrek voor technisch onderzoek’ voor het eerst aangetroffen in 1711 [1]
- afgeleid van het Latijnse laborare (werken) met het achtervoegsel -orium [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | laboratorium | laboratoriums laboratoria |
| verkleinwoord | laboratoriumpje | laboratoriumpjes |
het laboratorium o
- ruimte voor wetenschappelijk onderzoek
- ▸ Het laboratorium voor deze maatschappelijke proefneming werd Rusland.[3]
- ▸ Nadat ze vier keer met elkaar gevreeën hadden, vertelde ze dat ze bij een laboratorium werkte waar mensen hun voedsel konden laten testen.[4]
- ▸ De Amerikaanse onderzoeksgroep van Robert Gallo bevestigde als eerste dat het door de Fransen gevonden virus inderdaad de oorzaak van aids was, en zijn onderzoeksgroep wist het virus - dat zij HTLV-III noemden - op grote schaal op cellijnen in het laboratorium te vermeerderen.[5]
|
|
|
|
1. ruimte voor wetenschappelijk onderzoek
- Het woord laboratorium staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "laboratorium" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[6] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "laboratorium" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ laboratorium op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Hans Achterhuis“De erfenis van de utopie” (1998), Ambo/Anthos uitgevers
, ISBN 9026315244 - ↑ “Holy Trientje” (2019), Ambo Anthos, ISBN 9789026334238
- ↑ Roel Coutinho“Epidemieën en pandemieën” (2020), Athenaeum - Polak & Van Gennep
, ISBN 9789025310592 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be