bobbel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bob·bel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘knobbel, luchtbel’ voor het eerst aangetroffen in 1490 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord bobbel bobbels
verkleinwoord bobbeltje bobbeltjes

Zelfstandig naamwoord

bobbel m

  1. ronde verdikking of verheffing in een anderszins vlak oppervlak
    • Dat bobbeltje is een onschuldige vetophoping. 
     De derde tree van boven die kraakte, een bobbel in het tapijt van de overloop die een vreemd geluid maakte als je er met je volle gewicht op ging staan, het middenstuk van de trapleuning dat piepte als je het te veel belastte.[3]
  2. gasbel die zich uit een vloeistof aan de oppervlak vertoont
    • Wanneer je bobbels ziet, begint het water te koken. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bobbelen

bobbel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bobbelen
    • Ik bobbel. 
  2. gebiedende wijs van bobbelen
    • Bobbel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bobbelen
    • Bobbel je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen