Naar inhoud springen

hoorbaar

Uit WikiWoordenboek
  • hoor·baar
  • Afgeleid van de stam van horen met het achtervoegsel -baar.
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen hoorbaarhoorbaarderhoorbaarst
verbogen hoorbarehoorbaarderehoorbaarste
partitief hoorbaarshoorbaarders-

hoorbaar

  1. dat wat gehoord kan worden
     'Ze hebben die wilde meegenomen,' fluistert ze hoorbaar tegen haar man.[1]
     Marens stem is nauwelijks hoorbaar en haar hand glijdt van de trapleuning.[1]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[2]
  1. 1 2
    Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be