battre
Uiterlijk
- geattesteerd sinds de 11de eeuw; geleend van een Volkslatijnse vorm battĕre (geattesteerd sinds de 2de eeuw n.C.) van battuere "iemand in het gezicht slaan" [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| battre |
battais |
battu |
| derde groep | volledig | |
battre
- overgankelijk slaan [1], een of meer klappen uitdelen
- overgankelijk overwinnen, verslaan [1]
- onovergankelijk ergens tegenaan slaan, kloppen [1], [2]
- «Le coeur bat.»
- Het hart klopt.
- «Le coeur bat.»
- wederkerend se ~: ruziemaken, vechten
- overgankelijk, (landbouw) dorsen
- overgankelijk, (kaartspel) schudden [3], wassen [5]
- «Battre les cartes.»
- De kaarten schudden.
- «Battre les cartes.»
- ↑ battre (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.
Categorieën:
- Woorden in het Frans
- Woorden in het Frans van lengte 6
- Woorden in het Frans met audioweergave
- Woorden in het Frans met IPA-weergave
- Werkwoord in het Frans
- Overgankelijk werkwoord in het Frans
- Onovergankelijk werkwoord in het Frans
- Wederkerend werkwoord in het Frans
- Landbouw in het Frans
- Kaartspel in het Frans