voelbaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voel·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen voelbaar voelbaarder voelbaarst
verbogen voelbare voelbaardere voelbaarste
partitief voelbaars voelbaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

voelbaar

  1. waarneembaar, merkbaar
    • Na verloop van tijd waren er steeds meer voelbare effecten van de bezuinigingen. 
     Helaas was de herfst hier ook voelbaar: dagenlang liep ik door de stromende regen, iets wat ik vier maanden niet had meegemaakt in Californië en Oregon.[2]
Antoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. voelbaar op website: Etymologiebank.nl
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be