burgerlijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bur·ger·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen burgerlijk
verbogen burgerlijke

Bijvoeglijk naamwoord

burgerlijk

  1. tot de burgers behorend, tot de middenstand behorend
    Hij was van burgerlijke afkomst.
  2. horend bij de staatsburger of in een geregelde maatschappij, bekrompen en saai niet avontuurlijk
    Heb alsjeblieft een beetje burgerlijke beleefdheid!
  3. niet militair
    Na een langdurig militair bewind kreeg het land eindelijk weer een burgerlijk bestuur.
  4. niet kerkelijk
    Naast het kerkelijk huwelijk bestaat het enige door de wet erkende burgerlijk huwelijk.


Meer informatie