benepen
Uiterlijk
- be·ne·pen
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | benepen | benepener | benepenst |
| verbogen | benepenste | ||
| partitief | benepens | benepeners | - |
benepen [3]
- benauwd, angstig
- bekrompen
- Het heeft weinig zin Trump belachelijk te maken, maak belachelijk wat Trump mogelijk maakt: het benepen eigenbelang van kiezers, de cynische hypocrisie van (christelijk) rechts, de blinde vlekken van bourgeois links, de rol van commercie en media, het vampirisme van de abject rijken, en een internet dat van utopisch idee is verworden tot facilitator van oligarchie en fascisme.[4]
- [2] enghartig, kleingeestig, geborneerd
- Het woord benepen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "benepen" herkend door:
| 87 % | van de Nederlanders; |
| 91 % | van de Vlamingen.[5] |
- ↑ "benepen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ benepen op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ www.nrc.nl (27 mrt 2025)
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be