kidnapper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kid·nap·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kidnapper kidnappers
verkleinwoord kidnappertje kidnappertjes

Zelfstandig naamwoord

kidnapper m

  1. iemand die mensen kidnapt of ontvoert
    • De kidnapper dreigde het kind te vermoorden als de politie zou optreden. 
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Engels

Uitspraak
  • Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
  • IPA:
    • (Verenigd Koninkrijk) /ˈkɪd.næ.ˌpə/
    • (Verenigde Staten) /ˈkɪd.næ.ˌpɚ/
Woordafbreking
  • kid·nap·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
kidnapper kidnappers

Zelfstandig naamwoord

kidnapper

  1. kidnapper, ontvoerder
Antoniemen
Verwante begrippen


Frans

Uitspraak
  • IPA: /ˌkid.na.ˈpe/
Woordafbreking
  • kid·nap·per
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Engelse to kidnap ("ontvoeren").
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kidnapper
/kidnape/
kidnappais
/kidnapɛ/
kidnappé
/kidnape/
eerste groep volledig

Werkwoord

kidnapper

  1. kidnappen, ontvoeren
Synoniemen
Verwante begrippen


Noors

Woordafbreking
  • kid·nap·per
Naar frequentie 12002

Werkwoord

kidnapper

  1. tegenwoordige tijd van kidnappe