karamel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·ra·mel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gebrande suiker’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • Van Latijn cannamella (suikerriet), van canna (riet) + melleus (als honing, honingzoet). Het deel canna vindt men ook terug in woorden als canon, kanaal, kaneel en kanon.
enkelvoud meervoud
naamwoord karamel karamels
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

karamel v/m

  1. gebrande suiker
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen