inlander

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·lan·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord inlander inlanders
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

inlander m

  1. (persoon) (pejoratief) (verouderd) gekleurd iemand die in het land zelf geboren is, lid van de inheemse bevolking
    • Tijdens een bijeenkomst dit najaar in Helmond bij een VWO-5 klas vertelde ze: ‘Met Sinterklaas bleven wij binnen.’ Zij ziet als schrijver een directe lijn naar Multatuli’s Max Havelaar waarin een witte man voor de inlander spreekt. De literatuur plaveit het pad naar gemakzuchtige stereotypen. Hybride auteurs moeten in het geweer komen om deze stereotypen af te breken, vindt Amatmoekrim.[2] 
    • Want, zei hij, 'een slaaf of inlander werkt nooit als hij niet hoeft, en om te leven hóéft hij ook niet te werken, want het land en klimaat voorzien hem vanzelf van voedsel en onderdak. Europeanen kunnen in die hitte niet werken, dus dit zijn de alternatieven: koloniën met slaven, of géén koloniën'.>[3]  
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. inlander op website: Etymologiebank.nl
  2. NRC 30 december 2016
  3. Volkskrant 4 oktober 2016 (uit het dagboek van Hermann Fürst von Pückler-Muskau 5 oktober 1826