inboorling

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·boor·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord inboorling inboorlingen
verkleinwoord inboorlingetje inboorlingetjes

Zelfstandig naamwoord

inboorling m

  1. (verouderd) iemand die in een aangegeven land, streek of plaats is geboren
    De term autochtoon heeft een positieve gevoelswaarde terwijl de term inboorling denigrerend bedoeld is.
  2. een autochtone bewoner van een niet-westers land
    - In dat land woonden inboorlingen.
    - Op een verlaten strand achter het dorp van de inboorlingen stuitte ik op een spoor van verse voetstappen. [3]
Opmerkingen

Inboorling is een vrijwel letterlijke vertaling van het aan het Oudgrieks ontleende autochtoon, maar de betekenis is vernauwd tot niet-westerse landen.

Synoniemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. Middelnederlandsch Woordenboek
  3. Mitchell, David Wolkenatlas vertaald door Aad van der Mijn 2005 ISBN 9021474840 pagina 9