inboorling

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·boor·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord inboorling inboorlingen
verkleinwoord inboorlingetje inboorlingetjes

Zelfstandig naamwoord

inboorling m

  1. (verouderd) iemand die in een aangegeven land, streek of plaats is geboren
  2. een autochtone bewoner van een niet-westers land
    In dat land woonden inboorlingen'.'
Opmerkingen

Inboorling is een vrijwel letterlijke vertaling van het aan het Oudgrieks ontleende autochtoon, maar de betekenis is vernauwd tot niet-westerse landen.

Synoniemen
Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. Middelnederlandsch Woordenboek

Meer informatie