autochtoon

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·toch·toon
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord autochtoon autochtonen
verkleinwoord autochtoontje autochtoontjes

Zelfstandig naamwoord

autochtoon m

  1. de oorspronkelijke bewoner van een land, inboorling
    • Die man komt uit Nederland, dus hij is een autochtoon. 
Antoniemen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen autochtoon autochtoner autochtoonst
verbogen autochtone autochtonere autochtoonste
partitief autochtoons autochtoners -

Bijvoeglijk naamwoord

autochtoon

  1. oorspronkelijk in een bepaald gebied thuishorend
    • Dat is een autochtone leerling. 
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie