autochtoon

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·toch·toon
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord autochtoon autochtonen
verkleinwoord autochtoontje autochtoontjes

Zelfstandig naamwoord

autochtoon m

  1. de oorspronkelijke bewoner van een land, inboorling
    Die man komt uit Nederland, dus hij is een autochtoon.
Antoniemen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen autochtoon autochtoner autochtoonst
verbogen autochtone autochtonere autochtoonste
partitief autochtoons autochtoners -

Bijvoeglijk naamwoord

autochtoon

  1. oorspronkelijk in een bepaald gebied thuishorend
    Dat is een autochtone leerling.
Antoniemen
Vertalingen

Meer informatie