importeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • im·por·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘invoeren’ voor het eerst aangetroffen in 1824 [1]
  • afgeleid van het Franse importer (met het achtervoegsel -eren) [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
importeren
importeerde
geïmporteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

importeren [3]

  1. overgankelijk (economie) (vanuit het buitenland) invoeren
    • Er werd veel geïmporteerd in dit jaar. 
  2. (informatica) invoeren van gegevens in een informatiesysteem
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen