imperator

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • im·pe·ra·tor
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘opperbevelhebber’ voor het eerst aangetroffen in 1575 [1]
  • afgeleid van het Latijnse imperare met het achtervoegsel -ator [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord imperator imperatoren
imperators
verkleinwoord imperatortje imperatortjes

Zelfstandig naamwoord

imperator m

  1. eretitel voor Romeins opperbevelhebber
Verwante begrippen

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders
89 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Latijn

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

imperātor m

  1. gebieder, aanvoerder, hoofd
  2. (opper)bevelhebber
Verwante begrippen
Verbuiging