impact

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • im·pact
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘invloed’ voor het eerst aangetroffen in 1966 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord impact impacts
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

impact m

  1. invloed, effect
     Het is moeilijk voor te stellen hoe groot de impact van de dood van een ouder op het leven van een kind is.[2]
     ‘Hee, jij bent toch die arts van het consultatiebureau?’ hoorde jeugdarts Caroline Schouten pas geleden achter zich. Een moeder herkende haar van een bezoekje aan het consultatiebureau met baby, die inmiddels 10 jaar is. ,,Ze sprak me aan en vertelde dat ik tien jaar geleden iets aardigs had gezegd over haar kindje; dat ze het goed deed of goed groeide. Ongelofelijk vond ik dat, zoiets kleins dat ze tien jaar later nog wist. De impact van wat er in die eerste maanden als ouder tegen je gezegd wordt is enorm.”[3]
Hyponiemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "impact" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 3 mei 2022 Weblink bron Elise Vermeeren “We gaan massaal, maar waarom vinden ouders bezoek aan consultatiebureau soms zo moeilijk?” (22 mei 0002), Tubantia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Engels

enkelvoud meervoud
impact impacts

Zelfstandig naamwoord

impact

  1. botsing, schok
  2. impact
vervoeging
onbepaalde wijs to  impact 
he/she/it  impacts 
verleden tijd  impacted 
voltooid
deelwoord
 impacted 
onvoltooid
deelwoord
 impacting 
gebiedende wijs  impact 

Werkwoord

impact

  1. onovergankelijk inslaan
  2. overgankelijk samenpersen, samendrukken
  3. overgankelijk indrijven
  4. overgankelijk raken, treffen


Frans

  enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
mannelijk   impact     l'impact     impacts     les impacts  
vrouwelijk   impacte     l'impacte     impactes     les impactes  

Zelfstandig naamwoord

impact m

  1. impact invloed
  2. inslag