impact

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • im·pact
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘invloed’ voor het eerst aangetroffen in 1966 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord impact impacts
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

impact m

  1. invloed, effect
     Het is moeilijk voor te stellen hoe groot de impact van de dood van een ouder op het leven van een kind is.[2]
Hyponiemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

enkelvoud meervoud
impact impacts

Zelfstandig naamwoord

impact

  1. botsing, schok
  2. impact
vervoeging
onbepaalde wijs to  impact 
he/she/it  impacts 
verleden tijd  impacted 
voltooid
deelwoord
 impacted 
onvoltooid
deelwoord
 impacting 
gebiedende wijs  impact 

Werkwoord

impact

  1. onovergankelijk inslaan
  2. overgankelijk samenpersen, samendrukken
  3. overgankelijk indrijven
  4. overgankelijk raken, treffen


Frans

  enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
mannelijk   impact     l'impact     impacts     les impacts  
vrouwelijk   impacte     l'impacte     impactes     les impactes  

Zelfstandig naamwoord

impact m

  1. impact invloed
  2. inslag