botsing

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

botsing tussen een tram en een personenauto
Uitspraak
Woordafbreking
  • bot·sing
Woordherkomst en -opbouw
  • Naamwoord van handeling van botsen met het achtervoegsel -ing.
enkelvoud meervoud
naamwoord botsing botsingen
verkleinwoord botsinkje botsinkjes

Zelfstandig naamwoord

botsing v

  1. het botsen
    • Er was gisteren weer een frontale botsing op de snelweg. 
  2. een conflict of ruzie
    • Zij kwamen weer eens in botsing met elkaar. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie