schok

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schok
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schok schokken
verkleinwoord schokje schokjes

Zelfstandig naamwoord

schok m [4]

  1. een plotsklapse en hevige beweging
    Deze schok werd veroorzaakt door het verschuiven van twee tektonische platen.
  2. een gebeurtenis die iemand hevig van de wijs brengt
    Haar dood was een schok voor velen.
  3. een blootstelling aan een elektrische potentiaal
    Pas op, krijg geen schok van dat losse contact!
  4. zestigtal [5]
  5. twintigtal
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
schokken

schok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schokken
    Ik schok.
  2. gebiedende wijs van schokken
    Schok!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schokken
    Schok je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl
  3. etymologiebank.nl
  4. etymologiebank.nl
  5. etymologiebank.nl