huishoudelijk
Uiterlijk
- huis·hou·de·lijk
- Naamwoord van handeling van huishouden met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e-
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | huishoudelijk | huishoudelijker | huishoudelijkst |
| verbogen | huishoudelijke | huishoudelijkere | huishoudelijkste |
| partitief | huishoudelijks | huishoudelijkers | - |
huishoudelijk
- het huishouden betreffende
- De huisman was vooral geïnteresseerd in elektrische huishoudelijke apparaten.
- ▸ 2021 geldt als het recordjaar; toen werd ruim 7000 keer overlast door ratten gemeld. Dat had te maken met de coronaperiode, toen mensen veel thuisbleven en er meer huishoudelijk afval in de openbare ruimte terechtkwam, zegt de gemeente.[1]
- Het woord huishoudelijk staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑
Weblink bron “Extra geld voor rattenbestrijding Amsterdam, maar 'rat hoort nu eenmaal in de stad'” (18 april 2025), NOS