hoorn

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Neushoorn [1]
Zwarte vlieg [2]
Antieke grammofoon [4]
Natuurhoorn [5]


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoorn
enkelvoud meervoud
naamwoord hoorn hoorns
verkleinwoord hoorntje hoorntjes

Zelfstandig naamwoord

hoorn m

  1. een hard en meestal gebogen uitsteeksel aan de kop van verschillende dieren
    De koe had grote hoorns.
  2. een uitwas die op een hoorn lijkt, bijvoorbeeld bij insecten
  3. (biologie) een gedraaide schaal van sommige weekdieren
    Zij vonden allerlei hoorns toen ze langs het strand liepen.
  4. een (elektro-) akoestische versterker, bijvoorbeeld het hoor- en spreekgedeelte van een telefoon
    Hij legde de hoorn direct neer nadat hij hoorde wie er aan de telefoon was.
  5. (muziekinstrument) een blaasinstrument dat oorspronkelijk gemaakt werd van een hoorn, maar tegenwoordig vaak van een gewonden koperen buis met ventielen, en een brede klankbeker
    Wij kunnen wel aardig op de hoorn spelen.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Hyperoniemen
Verwante begrippen
enkelvoud meervoud
naamwoord hoorn -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

hoorn o

  1. de stof waaruit de hoorns van bepaalde dieren bestaan
    Bestaan hoorns werkelijk uit hoorn?

Meer informatie