voelhoorn

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voel·hoorn
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voelhoorn voelhoornen
voelhoorns
verkleinwoord voelhoorntje voelhoorntjes

Zelfstandig naamwoord

voelhoorn m [2]

  1. uitstulpingen op het hoofd waarmee een organisme (zoals een slak) de omgeving kan aftasten
    • Naaktslakken stammen af van huisjesdragende voorouders, vertelt De Winter. Het ‘zadel’ of schild achter de voelhoorns is de mantel, het overblijfsel van het huisje. Sommige slakken hebben hun huis maar half verlaten en dragen nog een klein uitwendig schelpje: halfnaaktslakken. [3] 
  2. (figuurlijk) op een gevoelsmatige wijze goed geïnformeerd zijn
    • Fractievoorzitter Edwin Hinloopen noemde het raadslid in een reactie „een steengoed politicus, met een uitstekende dossierkennis, altijd goed voorbereid en met veel voelhoorns in de samenleving”. Hinloopen betuigt zijn medeleven aan de familie van Smits Alvarez. De fractievoorzitter sprak van „een enorm verlies”. [4] 
    • Smit zegt dat hij de VVD-leden nodig heeft als hij voorzitter wordt. „Er zit kennis bij de leden, ze hebben maatschappelijke voelhoorns. Je kunt niet in je eentje voorzitter zijn. Ik heb hulp van iedereen nodig. Juist daarom wil ik een ledenraadpleging. En zonder doe ik het niet. Het is de dood of de gladiolen.” [5] 
Synoniemen

Gangbaarheid

70 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen