havik

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·vik
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘roofvogel’ voor het eerst aangetroffen in 1287 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord havik haviken
verkleinwoord havikje havikjes

Zelfstandig naamwoord

havik m

  1. (vogels) Accipiter gentilis op Wikispecies, een roofvogel die op kleine zoogdieren en vogels jaagt
  2. iemand die graag oorlog wil voeren
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen