handjevol

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hand·je·vol
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord handjevol handjevollen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

handjevol o

  1. een klein beetje (zo dat het in één hand past)
    • Hij had nog maar een handjevol knikkers over, de rest had hij verloren. 
     De tafels zijn hoopvol gedekt voor het diner, maar truckersrestaurant Le Mistral straalt een zekere mismoedigheid uit. Een kapotte ruit is vervangen door een houten schot. Op de parkeerplaats ter grootte van een voetbalveld staat een handjevol vrachtwagens.[1]
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

handjevol o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord handvol

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Peter Giesen “Route Nationale 7, leuker dan de Route du Soleil” (30 juli 2014), de Volkskrant