handjevol

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hand·je·vol
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord handjevol handjevollen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

handjevol o

  1. een klein beetje (zo dat het in één hand past)
    • Hij had nog maar een handjevol knikkers over, de rest had hij verloren. 
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

handjevol o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord handvol

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.