haaiig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • haai·ig
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van haai met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen haaiig haaiiger haaiigst
verbogen haaiige haaiigere haaiigste
partitief haaiigs haaiigers -

Bijvoeglijk naamwoord

haaiig

  1. (psychologie) scherp
    • Het is niet zo gek om te denken (ik was zelf het kind dat zo dacht) dat kat de man en poes de vrouw is. We noemen een haaiig mens een kat en een snoezig mens een poes. Een bijdehand kind is kattig, een lief kind is poezelig. [1] 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

62 % van de Nederlanders;
48 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC 14 mei 1993