dozijn

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·zijn
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘telwoord: twaalftal’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1286 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord dozijn dozijnen
verkleinwoord dozijntje dozijntjes

Zelfstandig naamwoord

dozijn o

  1. een set van twaalf
    • Hij heeft een dozijn fietsen thuis. 
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
  • gros (een dozijn dozijnen)
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen