grof

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • grof
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘groot, ruw’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen grof grover grofst
verbogen grove grovere grofste
partitief grofs grovers -

Bijvoeglijk naamwoord

grof

  1. fors.
    • Er werd grof geschut gebruikt. 
     Ondanks alle waarschuwingen van Mutti om geen schandaal te veroorzaken bij de diploma-uitreiking was ze er toch buitengewoon goed in geslaagd, ze had een gecommitteerde op de grofst mogelijke manier beledigd door hem zowel een idioot als een nazi te noemen en kreeg komisch genoeg als straf een lager cijfer voor Duits.[2]
  2. ruw van makelij
    • Hij bezat alleen grof aardewerk. 
  3. onbeschaafd.
    • Hij sloeg de hele tijd grove taal uit. 
     Met een zwaar Israëlisch accent waren al zijn grappen bezaaid met grove straattaal.[3]
  4. buitengewoon groot of veel
    • Ik verdien grof geld sinds de start van dat project. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. "grof" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628142
  3. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be