grof

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • grof
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘groot, ruw’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen grof grover grofst
verbogen grove grovere grofste
partitief grofs grovers -

Bijvoeglijk naamwoord

grof

  1. fors.
    • Er werd grof geschut gebruikt. 
  2. ruw van makelij
    • Hij bezat alleen grof aardewerk. 
  3. onbeschaafd.
    • Hij sloeg de hele tijd grove taal uit. 
  4. buitengewoon groot of veel
    • Ik verdien grof geld sinds de start van dat project. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen