goot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Goot

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • goot
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘afvoerkanaal’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1277 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord goot goten
verkleinwoord gootje gootjes

Zelfstandig naamwoord

goot v/m [2]

  1. een gleuf of greppel bedoeld voor het af laten vloeien van een vloeistof
    • Je moet die goot eens schoonmaken, anders kan het water niet goed weg. 
  2. een langgerekte bakvormige of halfronde constructie, die het water van het dak opvangt en afvoert
    • De afvoer van de goot was verstopt. 
  3. overdrachtelijk: een onverkwikkelijke en te vermijden plaats
    • Als je niet zorgt dat je baan hebt, lig je zo in de goot. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Anagrammen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
gieten

goot

  1. enkelvoud verleden tijd van gieten
    • Ik goot. 
    • Jij goot. 
    • Hij, zij, het goot. 

Werkwoord

vervoeging van
gieten

goot

  1. onpersoonlijke verleden tijd van gieten
    • Het regende dat het goot. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen