plebs

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plebs
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘het gewone volk’ voor het eerst aangetroffen in 1824 [1]
  • uit het Latijn [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord plebs
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

plebs o [3]

  1. (pejoratief) het minne, gewone, ordinaire deel van de bevolking
    • Rijke mensjes kijken is van alle tijden, dat klopt, maar bij het ­recente fenomeen van de wealth porn gaat het er anders toe. Er worden geen kanttekeningen meer gemaakt bij de extreme weelde. Vroeger was een klein deel van de bevolking ook al stinkend rijk, maar die lui liepen daar niet zo mee te koop. Uit vrees opstandige reacties van het plebs uit te lokken, vooral. Er was toen ook al minachting voor het gewone volk, maar toch ook het idee dat met de rijkdom een zekere ver­antwoordelijkheid kwam. [4] 
    • Een belangrijk lid van het kabinet van de Britse premier David Cameron is vrijdag opgestapt. Andrew Mitchell kwam vorige maand in opspraak doordat hij politieagenten zou hebben uitgescholden voor 'plebs' en zich laatdunkend had uitgelaten over arbeiders. [5] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen