gids

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gids
Woordherkomst en -opbouw
  • herkomst onzeker; waarschijnlijk van Romani gadžo "niet-zigeuner; boer", de i-klank is mogelijk ontstaan door invloed van Frans guide, in de betekenis van ‘leidsman’ voor het eerst aangetroffen in 1643 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord gids gidsen
verkleinwoord gidsje gidsjes

Zelfstandig naamwoord

gids m

  1. (beroep) persoon die een groep begeleid en uitleg geeft
    • De gids kon ons veel vertellen over de historie van de kerk. 
     `Hier links vindt u de bibliotheek; zei mijn gids, 'met daarachter de groene zaal en de Chinese kamer.[3]
  2. boekje dat een uitleg geeft
    • In de gids kun je lezen over de historie van de kerk. 
  3. een tijdschrift dat uitleg geeft
    • De gids bevatte veel zonnige afbeeldingen. 
  4. iets dat je de weg kan wijzen in het algemeen
     Zie ze als suggesties, adviezen die je op verschillende momenten in je leven kunt raadplegen als een gids voor moeilijke en mooie momenten.[4]
  5. (scouting) meisje dat meedoet aan scouting
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord gids gidse

Zelfstandig naamwoord

gids

  1. gids