radiogids

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

logo van de radiogids van de TROS
Uitspraak
Woordafbreking
  • ra·dio·gids
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord radiogids radiogidsen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

radiogids m

  1. (media) tijdschrift uitgegeven door omroeporganisaties waarin radio- (en televisie-)programma's worden besproken en waarin staat welke programma's waar en wanneer worden uitgezonden
    • 'Ron van Dijk zit al meer dan 25 jaar bij de politie. Vlak voor zijn eindexamen aan de detailhandelsschool in Dordrecht maande zijn moeder hem eens na te denken over de toekomst. Precies op dat moment viel zijn oog op een annonce in de radiogids. De politie zocht mensen. Ach, laat ik dat bonnetje maar eens invullen, dacht hij. Twee maanden later zat hij op de politieschool.[1] 
    • Drie dagbladen, twee opinieweekbladen, twee huis-aan-huiskrantjes en een radiogids zijn namelijk ook zonder al dat reclamedrukwerk al genoeg werk.[2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Volkskrant Marc van den Eerenbeemt 20 augustus 2002
  2. Volkskrant MARTIJN VAN CALMTHOUT 16 november 1996