gevallen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·val·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gevallen
geviel
gevallen
klasse 7 volledig

Werkwoord

gevallen [1]

  1. (onpersoonlijk werkwoord ??) gebeuren
    • Nu geviel het echter dat Maxentius vanwege dringende zaken naar het uiterste eind van zijn rijk moest trekken. 
Woordherkomst en -opbouw

Deelwoord

vervoeging van
gevallen

gevallen

  1. voltooid deelwoord van gevallen
deelwoord
onverbogen gevallen
verbogen gevallen
vervoeging van
vallen

gevallen voltooid deelwoord van vallen

  1. vormt de voltooide tijden
    • Hij was gevallen, maar had zich niet bezeerd. 
  2. attributief gebruikt
    • De gevallen sneeuw zorgde voor veel oponthoud. 
  3. attributief gebruikt overdrachtelijk: zedelijk in opspraak geraakt [2]
    • Zij was een gevallen vrouw. 
  4. bijwoordelijk gebruikt
    • Eenmaal gevallen behoort een demissionair kabinet geen nieuw beleid meer op gang te brengen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Niet op zijn mondje gevallen zijn
precies duidelijk maken hoe iemand over iets denkt
  • Van de trap gevallen zijn

Zelfstandig naamwoord

gevallen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord geval

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen