getob

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·tob
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord getob
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

getob o [1]

    • In zijn brief aan de PvdA-achterban schetst Samsom dat de idealen van de PvdA niets aan betekenis hebben ingeboet, maar als die niet vertaald worden in heldere keuzes er alleen getob over de koers overblijft. Onder de keuzes die hij met de PvdA wil maken, vallen onder meer het openbreken van de arbeidsmarkt voor gehandicapten, het omvormen van de hypotheekrenteaftrek en investeringen in duurzame energie. [2] 
    • De olympisch kampioen op de 10 kilometer moest in de laatste rit het antwoord schuldig blijven op Pedersen. Die reed, ondanks getob met een bandje om zijn arm, naar een winnende tijd van 6.22,15. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.


Verwijzingen