geploeter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·ploe·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geploeter
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

geploeter o [1]

  1. moeizame, uitputtende bezigheid
    • Ignatieff was in het verleden hoogleraar mensenrechten in Harvard. Het moet voor hem onthullend zijn geweest dat het begrip 'mensenrechten'voor zijn gesprekspartners niets betekende. Er is niemand die zijn of haar dagelijkse morele geploeter met mensenrechten verbindt.[2] 
    • Acht gulden salaris kreeg ik voor m'n geploeter en ik moest dat geld meteen thuis afleveren. Daar snapte ik toen niks van. Nu wel. Ze hadden het gewoon nodig voor het gezin. Maar ik miste alle motivatie in de fabriek. Ik kon altijd goed leren. De meester van de lagere school heeft bij mijn ouders de deur platgelopen om te vragen om ik door mocht leren. Dat mocht niet. Ik heb mezelf later ontwikkeld door het lezen van heel veel boeken.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Volkskrant Hans Achterhuis 18 november 2017
  3. Tubantia Mandy de Jong 18-AUGUSTUS-2017
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be