gezwoeg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·zwoeg
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gezwoeg
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gezwoeg o [1]

  1. aan houdend hard en moeizaam werken
    • ‘Zeg, heb jij je huiswerk eigenlijk al af?’, is niet bepaald een vraag die kinderen willen horen als ze net een halfuurtje terug zijn van school. Gun je spruit even wat rust en ontspanning en laat ze – voordat het gezwoeg weer kan beginnen – even relaxen. Na al die informatie op school is het niet effectief om je kind meteen aan de slag te laten gaan.[2] 
    • Kinderen zijn toch op diverse fronten al dictators in huis? Nou okay, die van mij in ieder geval wel. Maar aan tafel is de kok alleenheerser. Dat lijkt me ook wel het minste, na het gezwoeg in de bloedhete keuken. Wie bij mij besluit te muiten, gaat met knorrende maag naar bed, jammer dan.[3] 
    • De herinrichting van je huis stel je uit. Mooie plaid over de zitbank en hij lijkt als nieuw. Tóch maar eens winkelen bij de kiloknaller. Bij budget-supermarkt Aldi wilde je vroeger niet gezien worden. Moet je nú eens kijken naar de rijen voor de kassa’s. Fietsen is gezonder dan het openbaar vervoer, is gratis en net zo effectief als dat modische gezwoeg met een PC (Personal Coach) in een Fitness Centre.[4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 04 jan. 2016
  3. de Telegraaf AUDREY ZONNEVELD 07 mei 2015
  4. de Telegraaf 21 mei 2014
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be